Nederland van Buitenaf: wat zie je aan een land wanneer je er niet voortdurend middenin leeft? Notities over cultuur, gemeenschap, literatuur en alles wat pas zichtbaar wordt wanneer je er niet meer bent.
“Je bent toch niet van hier? Waarom trek je dan een lederhose aan?”
“Kom jij van Hawaii dan?”
Er is een dorpsfeest gaande en de dorpschagrijn staat me aan te gluren terwijl ik bier sta te tappen en schnapps sta uit te schenken.
“Touché!” Hij heft zijn glas, trekt zijn Hawaii-shirt glad en bestelt nog wat.
Het is uiteraard niet de eerste keer dat ik er weer aan herinnerd word dat ik hier een buitenlander ben. Een immigrant. Hoewel ik in een westers land woon, waarvan je zou zeggen, dat verschilt niet zoveel met Nederland, ligt mijn bergdorp op de grens met Slovenië en Italië en heeft het daardoor een aparte mix van het Slavische, het mediterrane en het typisch Oostenrijkse. Grootste misverstand is dat Oostenrijkers, omdat het Oostenrijkers zijn, wel pünktlich zullen zijn. Niet dus, Duitsers zijn pünktlich en Oostenrijkers benne geen piefkes. Leer mij een Oostenrijker kennen die ooit op tijd op een afspraak is. Ze bestaan gewoon niet.
Als Rotterdammer in lederhose, Meine Güte. Had je me dat 6 jaar geleden verteld, dan had ik je smakelijk uitgelachen. Verkleedpartijtjes of themafeesten in me stadje Rotterdam vond ik altijd al strontvervelend. Al bewaar ik wel goede herinneringen aan het Hookers & Pimps feestje twee decennia terug, waar de vrouwen gewoon nog hoeren waren en de mannen pooiers en er geen triggerwarnings of wokies waren om de boel te verstieren. Maar mezelf in klederdracht hijsen, neen.
Maar ja. Als immigrant moet je toch enigszins meegaan in de lokale gebruiken, is mijn bescheiden mening. Dus loop ik met enige regelmaat in een lederhose, inclusief jagershoedje. Over dat jagen trouwens. Ik heb daar als stadse jongen en dierenliefhebber toch moeite mee. Terwijl, de hypocrisie spat ervan af, en het jagen hier, in een boerenbergdorp, ja, zuiverder krijg je het niet.
Wild dier.
Jager.
Pang!
Klaar.
Alles van het dier wordt gebruikt, het heeft altijd in het wild, buiten geleefd en heeft in die zin echt een fantastisch leven gehad. Maar lamme slapzak als ik ben, zie ik de hertjes en de berggeiten en de vosjes toch liever vrij door de wouden, over de almen en langs steile kliffen flaneren, dan als een trofee door een trotse jager geëtaleerd te worden.
En natuurlijk ben ik zo’n lul dat ik tijdens de wildweken hier gewoon de meest malse lokale hertenragout verorber, met een kloeke rode wijn.
Over dat immigrant zijn. Ik was me daar helemaal niet van bewust eigenlijk. Maar ik ben een immigrant. Je suis un immigrant! Ich bin ein Immigrant!
Ik pas me aan aan de gebruiken hier. Sloop niks. Dring de Oostenrijkers en de Mallnitzers niet mijn vrije manier van leven op, terwijl zij hier houden van traditie en conservatisme. Trek een lederhose uit de kast, probeer zo goed en zo kwaad als het kan de taal én het dialect te spreken en meng je zoveel als mogelijk tussen de Einheimischen, de lokale bevolking.
Wist u trouwens dat we hier een donkere pastoor hebben? Vrij uniek voor een dorp waarvan slechts 350 inwoners echt van hier zijn en die andere 350 inwoners allen import zijn, waarvan de Nederlandse enclave de grootste is.
Overigens, die gedragen zich ook af en toe net als Turreke hoor. Samenklitten, te luidruchtig Nederlands praten tussen de Oostenrijkers, u kent het wel.
Wat anders, afgelopen week werd ik door de burgemeester gevraagd even langs te komen op het gemeentehuis. Om een korting te bespreken voor het podium dat we af en toe van de brandweer huren en die door twee gemeentemedewerkers wordt opgebouwd. Gezellig! Op de koffie bij Carola Schouten om een factuurtje te bespreken voor een feestje, of bij Femke Halsema om te overleggen wanneer de volgende pro-Israël demo gehouden mag worden, ziet u het al voor zich? Nee, ik ook niet.
Dezelfde week overigens zat ik bij de bankdirecteur op kantoor, na sluitingstijd notabene, om iets te bespreken over een financiering voor een andere bar in het dorp. Ja, we hebben hier gewoon nog een door echte mensen bemande dorpsbank, met een heuse medewerker en een heuse bankdirecteur. Die óók nog een jausenstation heeft, een kleine boerderij met eetlokaal waar je lokale producten kunt eten. Het is zo’n echte almhut, met open haard en spek en kaas en boerenbrood en de geur van oud hout.
Het komt zelfs voor dat we gedrieën een borrel drinken, de burgemeester, de bankdirecteur en ik, de Hollandsche Schrijvende Barman, in de enige biergarten die het dorp rijk is. (ik word door sommigen in het dorp Hemingway genoemd, een Spitzname die ik zeer kan waarderen)
Leuk feitje: ergens vorig jaar is de burgemeester na zo’n drankgelag op zijn plaat gegaan - vanwege de winterse gladheid uiteraard, kuch - waarbij hij beide polsen brak. Weken heeft hij met gekruiste armen en zijn polsen in het gips, in een hoge mitella, door het dorp gelopen. Want rijden kon natuurlijk niet. Ziet u Carola Schouten zo door Rotterdam paraderen? Nee, ik ook niet.
Enfin, dit was de eerste in de serie ‘Nederland van Buitenaf’, waar ik mij als reizende kluizenaar en vrij dolende ziel afvraag wat je aan een land ziet wanneer je er niet voortdurend middenin leeft. Met notities over cultuur, gemeenschap, literatuur en alles wat pas zichtbaar wordt wanneer je er niet meer bent én alledaagse stukjes uit mijn leven als einheimischer Höllander, of nog beter, een Mallnitzer. Want als de oerconservatieve lokale bevolking je tot een van hen rekent, dan kun je wel zeggen dat je bent geaccepteerd en geïntegreerd. (al blijf je altijd die buitenlander)
Tot slot, een simpele tip van deze immigrant. Wil je een beetje onder de mensen komen wanneer je net bent geëmigreerd (of gewoon als je op reis bent), ga gewoon in de dorpskroeg zitten. In je eentje ja. Doodeng, zeker als je de taal nog niet helemaal machtig bent, maar het werkt. Je hebt sowieso wel een keer aanspraak, je verschijning zal door het dorp zingen en op die manier kom je steeds meer mensen tegen en word je steeds meer een onderdeel van de samenleving, hoe klein en gesloten ook.
Pfiat eich!




Zo, trek in een bakkie wel na dit epistel!
Een zelfgekozen bedrag als losse donatie doen kan hier, met een directe overboeking naar NL70 BUNQ 2076 5623 89 t.n.v. Tjeerds Brainfarts onder vermelding van je mailadres of door op het BUNQ-logo te klikken. Natuurlijk krijg je bij een losse donatie ook - tijdelijk naar rato - toegang tot betaalde content.
Los doneren via PayPal of Stripe is ook mogelijk. (NB.: PayPal leidt je naar een donatiepagina op naam van mijn uitgeverij, Jalapeño Books)
Ook tof, waar je zelf nóg blijer van wordt, is door een boek van me te kopen!
Yasmina is een jonge Iraanse vrouw die gevangenzit in de beruchte Evin-gevangenis in Teheran. Haar celgenoot is Jale, een oudere vrouw die Yasmina de martelingen, de vernederingen en de bijtende onzekerheid even doet vergeten door ’s nachts de oude sprookjes uit Duizend-en-een-nacht te vertellen.
Jale is een begenadigd chroniqueur, die de sprookjes uit Perzië, Babylonië en het oude Egypte volmaakt met haar eigen ideeën en fantasieën. De fabelachtige verhalen vormen de basis van een warme vriendschap en diepe verbondenheid tussen de twee vrouwen.
Jale groeide op in het Iran van voor 1979, Yasmina werd geboren tijdens de Perzische Golfoorlog begin jaren negentig. Twee vrouwen met een verschillende geschiedenis, maar met één gewenste toekomst: een vrije.
‘Yasmina vertelt een diep ontroerend en betekenisvol verhaal. We waarderen wat je doet om dergelijke verhalen met de wereld te delen.’ ~ Narges Foundation








