Yasmina
Een introductie in drie aktes
Van mij, voor u, de proloog en de eerste twee hoofdstukken van mijn laatste roman Yasmina, deze week precies 6 maanden oud en nog immer actueel en zoals men dat placht te zeggen in de literaire wereld “bijzonder urgent”.
Bent u betalend abonnee en u wilt dit boek aanschaffen? Kijk dan even in de chatfunctie van Substack, daar staat exclusief voor u een kortingscode ter waarde van 10%.
Veel leesplezier!
Mystieke Sprookjes uit het Cachot van Evin
Duizend nachten en één nacht
In het hart van Teheran, binnen de muren van de beruchte Evin-gevangenis, zit een jonge vrouw gevangen. Haar naam is Yasmina en haar dagen zijn een aaneenschakeling van martelingen, vernederingen en een bijtend gevoel van onveiligheid en onzekerheid. Het is in de diepte van deze grimmige wereld van duisternis en wanhoop dat haar pad zich kruist met het pad van een opmerkelijke vrouw, Jale, haar celgenoot.
Elke nacht, schuilend in het zachte licht van de maan, vertelt Jale haar als een hedendaagse Sjeherazade de oude sprookjes uit Duizend-en-één-nacht. Deze verhalen, afkomstig uit Perzië, Babylonië en van het oude Egypte strekkend tot aan India, verbeelden een betoverend en magisch schouwspel binnen de grenzen van hun kille gevangeniscel. Yasmina luistert naar de verhalen over dappere prinsessen, wijze sultans en betoverende djinns. Deze oude verhalen, die zij al snel ‘de mystieke sprookjes van Evin’ noemt, bieden Yasmina een warmte en troost die haar geest verlichten, zelfs in de moeilijkste omstandigheden en tijdens de somberste momenten.
Terwijl de nachten voorbijgaan, bloeit er een diepe band op tussen de twee vrouwen. Hun vriendschap, gevoed door de kracht van deze tijdloze verhalen, overstijgt de grenzen van hun celmuren. Yasmina, overdag gebukt gaand onder het juk van haar ketenen, zweeft in de nacht door een wereld van verbeelding en ontsnapt zo even aan de harde realiteit van haar bestaan.
Samen dwalen ze af naar de gouden paleizen van Perzië, waar een naar jasmijn geurende bries geheimen fluistert voor geliefden onder de maanverlichte hemel. Ze dwalen langs de oevers van de machtige Eufraat, waar de mythische Ishtar met haar wijsheid en gratie heerst over het oude Babylon. En ze verwonderen zich over de ontzagwekkende monumenten van het oude Egypte, waar farao’s en godheden het sterfelijke rijk bewandelen.
De verhalen zijn een vluchtig respijt in een wereld van onderdrukking en onderwerping. En door de kracht van deze magische verhalen voelen Jale en Yasmina een bijzonder gevoel van vrijheid, zelfs binnen hun gevangenschap. Zo vloeien de nachten in het cachot van Evin in elkaar over, nachten waarin Jale en Yasmina zich aan elkaar vastklampen voor kracht, hun harten verlicht ondanks het zware gewicht van hun opsluiting.
Wanneer het laatste hoofdstuk van hun tijd samen nadert, voelen Jale en Yasmina een bitterzoete pijn in hun hart en ziel. Hun band, gesmeed door de oude verhalen die tussen hen door dansen, is een reddingslijn gebleken in de donkerste tijden.
Op dat finale moment van onzekerheid, als Jale en Yasmina elkaar in de ogen kijken, begrijpen ze dat hun verhalen voor altijd met elkaar verweven blijven. Hun gedeelde ervaringen, het lachen, de tranen en de gestolen momenten staan diep in hun harten gegrift.
Wanneer de dageraad aanbreekt en een nieuwe dag zich aandient, klampen Jale en Yasmina zich vast aan de hoop dat hun verhalen niet verloren zullen gaan en dat ze anderen zullen inspireren om troost te zoeken in de kracht van hun verbeelding.
De verhalen en de betoverende werelden die ze binnen de grenzen van hun gevangenschap visualiseerden, zullen voor altijd in de wind worden gefluisterd. De overlevering doet de rest.
Opdat de gevangenen van Evin nooit vergeten zullen worden.
In Yasmina verdiept Langstraat zijn schrijverschap verder met een verhaal dat spanning, emotionele intensiteit en maatschappelijke gelaagdheid op magistrale wijze samenbrengt. ~ Boekenbalie
De Eerste Nacht
Kennismaking in het cachot
Tranen banen zich moeizaam een weg uit de hoeken van haar dichtgeslagen ogen en rollen over haar opgezwollen wangen, om met souplesse langs de rafelranden van haar gebarsten lippen te glijden en haar het ziltige van haar pijn en verdriet te laten proeven.
Ze huilt zachtjes, ingetogen. Enkel het fluiten van haar gebroken neus is hoorbaar. De pijn is het ergste niet, zelfs de stilte die hier nu heerst is niet waar ze het meest om maalt. De vernedering is wat haar doet huiveren, in het ongewisse zijn over haar geliefde maakt haar bang en voedt haar verdriet. De fysieke pijn zal ze verbijten, móét ze verbijten, maar niet weten hoe het met hem gaat is gekmakend.
Ze fluistert zijn naam. ‘Manelin…’
Het uitspreken van de letters, het verzuchten van zijn naam maakt dat hij bij haar is, dat hij aanwezig blijft, zelfs nu hij op een andere, onbestemde plek is. Zijn naam zweeft door de ruimte, verdwijnt in het luchtledige, maar laat haar gloeien van liefde, van hartstocht en van passie, maar bovenal van een gemis en een verlangen die pijnlijker zijn dan alle pijn die haar beulen haar kunnen aandoen.
‘Blijf bij me, Manelin,’ fluistert ze. ‘Ga nooit bij me weg, laat me niet alleen. Jij bent mijn hoop.’
Ze laat zich met haar rug tegen de kille betonnen muur van de cel vallen. Ze durft niet te gaan zitten, bang voor wat ze zal voelen in haar gewonde, nagloeiende schoot, huiverig voor wat de bevestiging van haar vermoedens met haar geest zal doen.
‘Leven is lijden, meisje.’
Ze schrikt van de stem die onverwachts uit het donker klinkt.
‘Hallo?’ fluistert ze weifelend.
Een flinke gestalte rijst op, kreunend en steunend, houvast zoekend aan de wand. Het kleine beetje maanlicht dat door het enige raam in het plafond naar binnen schijnt, is net voldoende om de contouren van de stem in het donker te zien.
‘De nacht vóór deze nacht was het vollemaan. Nog een dertigtal nachten, dan is het weer vollemaan en hebben we hier prachtig licht. Wat is je naam?’
‘Yasmina, mevrouw.’
‘Yasmina… als de fruitige, bloemige geuren van de jasmijn. Een geschenk van God. Welkom, Yasmina, in het levendige hart van Teheran, waar magische dromen de boventoon voeren, de spijzen bekoorlijk en weldadig zijn en het gezelschap aangenaam is, en waar sprookjesachtige wonderen als een fijngeweven tapijt door de ruimten zweven. Mijn naam is Jale en ik heet je van harte welkom in het cachot van Evin.’
Een zwak streepje licht schijnt op het gezicht van Jale. Ze glimlacht naar Yasmina, haar hoofd wat gebogen.
‘Ik wil hier niet zijn, ik hoor hier niet,’ prevelt Yasmina.
‘Dat geldt voor bijna iedereen hier, meisje. Vrije geesten horen niet gekooid te zijn. Kom, ga zitten.’
Jale steekt haar hand uit naar Yasmina en wacht geduldig tot ze de handreiking aanneemt.
‘Dat… dat gaat niet, ik kan niet… Ze hebben…’
‘De rotzakken,’ mompelt Jale binnensmonds. Ze zet twee stappen in de richting van Yasmina en pakt haar beide handen vast. ‘Kijk me eens aan.’
Aarzelend kijkt Yasmina op naar Jale. Door de spleetjes van haar kapotgeslagen ogen ziet ze de vriendelijkheid, maar ook de trots en de onverzettelijkheid van de vrouw tegenover haar.
‘Het slijt,’ zegt Jale. ‘De pijn went en ebt langzaam weg. Het menselijk lichaam is sterk. Je bent nog jong, je zal herstellen. Maar het gaat om je geest, meisje. Laat ze niet winnen, hoor je me? Laat ze nooit winnen. Blijf sterk, altijd. Hou de schimmen uit je hoofd, zorg dat de djinns je niet te pakken krijgen. Begrijp je wat ik zeg?’
‘Ja, mevrouw.’
‘Noem me alsjeblieft gewoon Jale, zo oud ben ik nou ook weer niet. Kom, laat me je verzorgen, zo goed en zo kwaad als dat kan in dit godvergeten hol.’
Yasmina laat zich door Jale naar de donkerste hoek van de krappe cel leiden en weet zich ondersteund door twee krachtige armen. De pijn in haar buik en kruis is hels en wanneer Jale haar kleding voorzichtig uittrekt, kan ze zich niet langer bedwingen en begint ze te huilen met het geluid en de erbarmelijke uithalen van een hofhond.
Met ingehouden woede maakt Jale Yasmina’s wonden schoon door een minuscuul stukje stof dat ze van haar jurk heeft gescheurd te deppen in het weinige drinkwater dat ze nog heeft.
‘Vertel me over de man wiens naam je net noemde, meisje. Wie is hij? Laat me met hem kennismaken.’
De lieflijke stem van Jale heeft een bijzonder kalmerende werking op Yasmina. Het onstuimige huilen gaat over in een klaaglijk jammeren, tot het moment dat haar tranen op lijken te zijn en haar lichaam zich uitgeput overgeeft aan de handen van Jale. En terwijl ze de primitieve wasbeurt gelaten over zich heen laat komen, probeert ze de juiste woorden te vinden om hem aan haar voor te stellen.
In woorden vangen wie hij is en wat hij voor haar betekent, is een bijkans onmogelijke opgaaf, maar niet alleen wíl ze hem graag voorstellen, ze vindt ook dat het moet, aan deze haar onbekende vrouw, al is het maar om ervoor te zorgen dat als zij er zelf niet meer zal zijn, er iemand is die kennis heeft genomen van hem en zijn waarde, juist op het moment dat zij hem het hardst nodig had, maar hij schitterde door fysieke afwezigheid.
‘Zijn naam is Manelin…’ Yasmina zucht diep en verbijt de pijn die ze voelt bij het uitspreken van zijn naam. ‘Manelin, en hij is de mooiste man die ik ooit heb gezien.’
Jale kijkt Yasmina vertederd aan, onderwijl voorzichtig haar kleding fatsoenerend en haar zonder dat ze het doorheeft naar het dunne matrasje op de grond leidend. Yasmina vlijt zich neer, gaat op haar zij liggen met haar hoofd op haar handen, de knieën opgetrokken, in foetushouding.
‘Vertel verder, meisje. Vertel me hoe jouw fraaie man eruitziet.’
‘Zijn ogen hebben de vorm van amandelen en ze hebben een heel bijzondere kleur. Ik denk… ik weet het nog steeds niet, maar ik denk dat ze smaragdgroen zijn. Soms lijkt het of de kleur verschiet. Omdat het regent, of juist mistig is. Het zijn levendige ogen. Ondeugend, maar ook serieus. Als ogen werkelijk de spiegels van de ziel zijn, dan kun je zijn ziel bijna zien. Zijn ogen spreken, je kunt alles lezen in zijn blik; of hij boos is of verdrietig, opgewonden of somber. Zijn haren zijn pikzwart en dik. En hij heeft een kruintje aan de zijkant van zijn voorhoofd, waardoor hij altijd een gekke, opstaande pluk heeft. Zelf vindt hij dat verschrikkelijk, maar ik vind het heel schattig. Als we samen zijn en op bed liggen, en…’
Yasmina’s stem hapert bij de herinnering aan de momenten waarop ze met Manelin was. Ze schudt haar hoofd, slikt opnieuw haar opkomende tranen weg, onzichtbaar in het donker van de nacht.
‘Ik vind het fijn om met zijn gekke haarpluk te spelen,’ fluistert Yasmina. ‘Om zijn haar om mijn vinger te draaien en ondertussen te luisteren naar zijn verhalen. Er zit zoveel vuur in hem en hij is zo belezen. Hij…’ Yasmina’s stemt stokt.
‘Hoe hebben jullie elkaar leren kennen, meisje?’ vraagt Jale.
‘We kennen elkaar eigenlijk al heel ons leven,’ gaat Yasmina verder. ‘We zijn samen opgegroeid, we schelen ook maar een paar maanden in leeftijd. Toen we zes jaar oud waren, vertrok hij met zijn ouders, hij is enig kind, naar Teheran. Op zoek naar werk. Pas jaren later kwamen we elkaar weer tegen en toen zei hij dat hij al die jaren verliefd op me was geweest, sinds zijn vertrek elke dag aan me had gedacht en wenste dat we elkaar op een dag weer zouden tegenkomen.’
‘Een man die zijn hele leven smoorverliefd is op een meisje…’ zegt Jale zachtjes. ‘Dat doet me denken aan het sprookje van de geliefden van de Oedzra-stam. Ken je dat?’
‘Nee,’ antwoordt Yasmina. ‘Ik ben zo moe, Jale. Zo moe. Maar ik ben zo bang om te gaan slapen.’
‘Luister, meisje, ik zal je het verhaal vertellen van de geliefden. Als je mij belooft daarna te gaan slapen.’
‘Dat beloof ik. Vertel me het verhaal, alsjeblieft.’
Jale zijgt neer naast Yasmina, positioneert zich in kleermakerszit, kijkt op naar het raam in het plafond, ziet een stukje van de maan en begint dan te vertellen.
★
Het was op een nacht dat de vorst der gelovigen, kalief Haroen ar-Rasjied, woelend in zijn bed lag en de slaap niet kon vatten. Hij riep zijn eunuch Masroer en vroeg hem wie van zijn dichters op dit tijdstip aanwezig was om hem een verhaal te vertellen zodat hij zo wellicht in slaap zou vallen.
Masroer had vernomen dat Djamiel ibn Ma’mar van de Oedzra-stam in de stad was aangekomen en liet hem direct aanrukken.
‘Djamiel, ken jij een wonderlijk verhaal dat je mij kunt vertellen, een verhaal dat ik niet eerder hoorde?’ vroeg de kalief.
‘Natuurlijk, geliefde kalief. Geeft u de voorkeur aan een verhaal dat ik zelf heb meegemaakt, of hoort u liever een verhaal dat ik heb gehoord?’
‘Vertel me je eigen verhaal, Djamiel.’
‘Open uw hart en leen me uw oor, dit is mijn verhaal.’
‘U moet weten, dat ik smoorverliefd was op een prachtig en lief meisje. Ze was het enige wat ik liefhad, niets anders dan zij liet mij leven. Maar op zekere dag vertrok haar familie, op zoek naar vruchtbaarder gronden en had ik enkel nog de herinnering en het verlangen. Het verlangen liet me niet los en door pure hartstocht ingegeven besloot ik haar te zoeken.
Het was in een donkere nacht dat ik mijn kameel opzadelde, mijn tulband opzette en mijn lompen aantrok, mijn speer pakte, mijn kameel besteeg en op weg ging om haar te zoeken.
We hadden er flink de pas in, ondanks de ondoordringbare duisternis en de voortdurende angst aangevallen te worden door de brullende leeuwen, de jankende wolven en de andere roofdieren die tierend hun honger kenbaar maakten.
We bestegen hoge bergen, voerden door diepe dalen en maakten lange dagtochten, tot het moment waarop ik door slaap werd overmand en mijn kameel me naar de kant van de weg voerde, waar ik algauw in een diepe slaap viel.
Na een tijdje schrok ik wakker en besefte ik dat de zon al op was. Ik keek om me heen en zag bomen en rivieren, ik hoorde vogels fluiten en rook de frisse ochtendgeuren van een woud dat ontwaakt.
Ik nam mijn kameel aan zijn leidsel en liep het woud in tot we bij een uitgestrekte steppe kwamen. Daar bracht ik mijn zadel in orde, besteeg de kameel en wij gingen weer op pad, naar een mij onbekende bestemming en mij ongewis van mijn lot.
Tegen het vallen van de avond zag ik in de verte de rookpluimen van een vuurtje en ik besloot die richting op te lopen. Toen we dichterbij kwamen zag ik dat er een tent stond, er stak een speer in de grond en rondom de tent graasden kamelen en paarden.
Al vrij snel besefte ik dat deze tent iets waardevols moest herbergen, want in de wijde omtrek was er niets anders te bekennen.
Ik liep naar de tent en riep, “Vrede zij met u, waarde inwoners van de tent!”, waarna ik wachtte op een reactie. Niet veel later kwam een jonge knaap uit de tent, van nog geen twintig. Hij was knap als de vollemaan en zag er onverschrokken uit.
“Gegroet, bedoeïenenbroeder, jij bent vast verdwaald?”
Dat beaamde ik en ik vroeg wat de beste weg was om door te gaan.
“De nacht valt, mijn vriend, in dit gebied leven wilde dieren en zoals je vast hebt gemerkt, zijn de nachten hier koud en donker. Stijg af, rust uit en dan zal ik je later de weg wijzen.”
Het leek me een goed idee, moe als ik was van de lange reis, dus ik zadelde mijn kameel af, trok mijn stoffige bovengewaad uit en nam comfortabel plaats aan de rand van de tent van mijn nieuwe vriend. Die had inmiddels een schaap geslacht, het vuur opgestookt en het vlees gekruid met de heerlijkst geurende kruiden, zoals ik ze nog nooit had geroken. Hij roosterde een groot stuk en gaf het aan mij.
Terwijl hij dat deed, zuchtte hij diep en huilde hij zachtjes. Ik durfde hem echter niet te vragen waarom hij zo verdrietig was, want onze vriendschap was nog maar zo jong. Dus vroeg ik niks en at mijn vlees tot ik vol zat.
Toen ook mijn nieuwe vriend genoeg had, stond hij op en liep hij de tent binnen. Niet veel later kwam hij terug met een schone kom, een schitterende kan, een zijden doek waarvan de randen met gouddraad bestikt waren, en een fles met rozenwater en muskus.
Deze weelde verbaasde mij, want ik wist niet dat er zelfs op de steppe zulke luxe voorhanden was. In stilte wasten wij onze handen en gezichten.
“Kom binnen, vriend,” zei hij nadat hij zijn gezicht had afgedroogd. “Ik heb een doek opgehangen zodat je een eigen slaapruimte hebt en je je welverdiende rust kunt nemen na je lange en vermoeiende reis.”
Dat liet ik mij geen twee keer zeggen, ik bedankte hem, viel vrijwel direct als een blok in slaap en sliep zoals ik nooit tevoren had geslapen.
Tot ik midden in de nacht wakker werd van een zachte stem. Een stem zoals ik niet eerder had gehoord. Zoetgevooisd, lieflijk en fijn. Langs een minuscule opening van het afscheidingsdoek keek ik naar de andere kant en ik zag een meisje zitten, zo mooi als ik nooit tevoren had gezien. Haar pracht was buitenaards, de verfijningen in haar gezicht waren fenomenaal.
Ze zat geknield naast de jongen en samen huilden ze van liefdesverdriet, van pijn en van hartstocht om een liefde die niet kon zijn.
Ik bedacht dat zij een djinn-meisje moest zijn, want toen ik voor het slapengaan de tent was binnengegaan, was zij er niet. Maar toen ik beter keek, zag ik dat zij een bedoeïenenmeisje was en dat zij de geliefde van de jongen moest zijn, die hier in het geheim naartoe was gekomen.’
★
Jale ziet dat Yasmina bijna in een rustige slaap dommelt. ‘Als jij het goed vindt, meisje, zal ik de rest van het verhaal na deze nacht vertellen,’ fluistert ze.
Yasmina knikt loom, schenkt Jale een handkusje en wentelt zich in haar dunne deken. Niet veel later hoort Jale haar rustige ademhalen en vlijt ook zij zich neer voor een nacht van zielenrust.
Zo bewaart Jale de rest van haar verhaal voor de volgende nacht en weet ze Yasmina te behoeden voor een angstige, onrustige nacht vol nachtmerries en wanhoop.
Yasmina vertelt een diep ontroerend en betekenisvol verhaal. ~ Narges Foundation
De Tweede Nacht
Land van de Wolven
Het was in de vroege ochtend na de eerste nacht dat Jale Yasmina liet ontwaken door zachtjes over haar gezicht te aaien en haar lieve woordjes toe te fluisteren.
‘Wakker worden, meisje. Er is een nieuwe dag aangebroken. Laat me je de rest van het verhaal vertellen.’
★
Djamiel sliep na het zien van het mooie meisje weer in en bij het aanbreken van een nieuwe dag bedankte hij zijn gastheer en vroeg hij hem de weg te wijzen. Het meisje was nergens te bekennen en Djamiel besloot niet naar haar te vragen, bang om zijn nieuwe vriend misschien te kwetsen.
“Wees niet zo gehaast, vriend. Als gastheer moet ik je drie dagen mijn gastvrijheid schenken, zo luiden de regels.”
U moet weten, waarde kalief, dat ik het eigenlijk wel best vond, want zo zou ik misschien toch te weten kunnen komen wie het geheimzinnige meisje was en wat hun verhaal was. Dus bleef ik. En op de vierde dag, de dag dat ik werkelijk zou vertrekken, vroeg ik hem wie hij was.
Hij bleek mijn neef te zijn! Een lid van de nobelste familie van de Banoe Oedzra, net als ik.
Ik vroeg hem wat hem ertoe had gebracht zich terug te trekken in eenzaamheid in deze tent en waarom hij alle weelde achter zich had gelaten.
En hij antwoordde, met tranen in zijn ogen, “Neef, ik was zo ongelooflijk verliefd op mijn nicht en ik wilde voor altijd met haar zijn, dus ik vroeg mijn oom om haar hand, maar die weigerde. Hij huwelijkte haar uit aan een oude man, die haar meenam naar zijn kamp. Hierdoor was voor mij zelfs de aanblik op haar verdwenen. Gedreven door smart en liefdesverdriet besloot ik alles en iedereen achter mij te laten en hier op de steppe te gaan wonen.”
Maar het kamp van de oude man en de geliefde van mijn neef lag niet ver van zijn tent. Op de top van de berg, zichtbaar vanaf de tent, wist hij zijn geliefde te wonen. Elke nacht, wanneer iedereen in slaap was, sloop ze heimelijk uit het kamp weg en stilden ze hun verlangen, niet lijfelijk, maar door te praten, een enkel uur.
Ik kreeg medelijden met hem, herkende de smart en het verlangen naar de liefde en besloot hem een list voor te stellen, zodat hij en zijn geliefde toch samen zouden kunnen zijn.
“Als het meisje vannacht komt, zet haar dan op mijn kameel, want die is zeer snel en sterk, en pak zelf een paard,” zei ik hem. “Ik zal een van de andere kamelen nemen en met jullie meereizen. Tegen het begin van de dag zullen we de steppe zijn overgestoken en kunnen jullie samen een leven opbouwen.”
Mijn neef besloot dit voorstel bij haar neer te leggen. Maar toen de nacht was gevallen en wij wachtten tot zij zou komen, kwam zij niet opdagen.
“Er moet haar iets zijn overkomen, ze zou altijd naar mij toe komen!” riep mijn neef in paniek uit.
Hij besloot zijn zwaard te pakken en naar het kamp te gaan om te kijken of er iets was gebeurd waardoor zij was verhinderd te komen en met ons te vluchten.
Niet veel later kwam hij terug, schreeuwend, met de restanten van haar in zijn handen. Ze was die nacht verhinderd omdat ze op haar weg door een leeuw was verscheurd. In razernij besteeg hij zijn paard om op zoek te gaan naar de leeuw die zijn geliefde had vermoord.
Toen hij terugkwam, had hij de kop van een leeuw in zijn hand. Hij steeg af, pakte een kom water en begon de kop van de leeuw te wassen. Toen hij daarmee klaar was, kuste hij de leeuw op zijn bek.
“Dit zijn de lippen die als laatste mijn geliefde hebben aangeraakt,” fluisterde hij.
Daarna vroeg hij mij, o grote kalief, hem als het zover was samen met de botten van zijn geliefde te begraven. Ik zegde hem dat toe, waarop hij de tent in liep en met een diepe zucht stierf van verdriet. Ik kwam mijn woorden na en heb hen samen begraven. Het lot joeg hen uiteen, maar in de aarde zijn zij herenigd.’
★
‘Dat was een prachtig verhaal, Jale. Het zou…’
Yasmina’s spreken wordt bruut onderbroken door het met veel lawaai openen van de celdeur en het geschreeuw van twee bewakers die op Yasmina aflopen, haar onder de oksels vastgrijpen en haar zonder scrupules de cel uit slepen.
‘Jale, help! Wat gaan ze met me doen?’ roept Yasmina in blinde paniek.
‘Hou je sterk, meisje, laat ze niet winnen, nooit, denk aan wat ik je gister zei,’ fluistert Jale, die met een van boosheid verwrongen gezicht ziet hoe Yasmina wordt meegenomen door de afschuwelijke ifriets.
Uren later, die voelen als dagen, als jaren wellicht, wordt de celdeur geopend en smijten de afschuwelijke ifriets Yasmina de cel in.
Jale bukt zich om Yasmina op te laten staan, te ondersteunen en naar het matrasje te begeleiden. ‘Kom, meisje, kom maar, rustig maar.’ Zo probeert Jale Yasmina gerust te stellen.
Yasmina, die kreunend huilt, laat zich door Jale verzorgen. Haar gezicht is nog net zo bont en blauw als de dag ervoor, haar ogen zijn nog steeds niet meer dan dunne spleetjes, maar Jale ziet geen nieuwe verwondingen.
‘Mijn nagels, Jale, ze hebben mijn nagels uitgetrokken,’ lispelt Yasmina. Ze toont trillend haar bebloede vingers.
‘Och, liefje, liefje toch…’ Jale scheurt weer een stukje van haar jurk af om het bloeden te stelpen. Bij elke aanraking krimpt Yasmina ineen van de pijn, haar vingers gekromd en haar knieën opgetrokken tot haar kin.
‘Ze wilden namen van me… en ze waren eerst poeslief. Zeiden dat ik naar huis mocht als ik zou zeggen… als… Maar… ik heb niets…’
‘Goed zo, meisje. Je bent niet in de slinksheid van die rotzakken getrapt.’
‘Het was zo erg, Jale, het doet zo’n pijn…’ Yasmina snikt zachtjes.
‘Wie ben jij, Yasmina?’ vraagt Jale dan. ‘Waar kom je vandaan? Vertel het me, praat tegen me. Hoe was je jeugd?’
Yasmina slaakt een gorgelende zucht en begint te praten. ‘Ik ben opgegroeid in het noorden van Iran, in een klein dorpje in de provincie Mazandaran, een stuk van de landstreek dat vroeger Hyrcanië werd genoemd. Het was er fijn, ik heb een heel onbezorgde jeugd gehad.’
‘Heb je broertjes of zusjes?’ vraagt Jale, onderwijl provisorisch de vingers van Yasmina verbindend.
‘Ja, een broertje. Hij heet Navid.’ Yasmina glimlacht bij de herinnering aan haar broertje. ‘We schelen maar anderhalf jaar, dus we zijn samen opgegroeid. Het is een pestkop, maar wel een lieve pestkop. Hij haalde ook kwajongensstreken uit, nog steeds trouwens. We speelden altijd samen, aan de oevers van de rivier, of langs de velden. Onze ouders werkten op de rijstvelden, die heb je daar veel, weet je.’
Jale knikt bevestigend. ‘Ik ken het gebied een beetje,’ zegt ze. ‘De bossen zijn er ook magisch mooi, hè?’
Even gaat Yasmina terug naar haar vroegste jeugdherinneringen, de dagen dat ze met haar familie op pad ging in de bossen. ‘Ja, heel mooi. Sprookjesachtig. De Sjomal, een echt oerwoud nog. Heel anders dan de stadsparken in Teheran. Als mijn ouders niet hoefden te werken, gingen we vaak het bos in. Van mijn vader moesten we dan op zoek naar de perfecte wandelstok. Niet te dik, niet te dun, ook niet te lang. Hij was echt een heel goede houtbewerker, dus als wij met tien stokken aankwamen, kon hij die in de avonden na het werk op de rijstvelden bewerken. En dan verkocht mijn moeder ze na verloop van tijd weer op de bazaar. Zo verdienden ze een beetje extra geld.’
Jale is ondertussen klaar met het verzorgen van Yasmina’s vingers. Ongemerkt is ze tegenover Yasmina gaan zitten, luisterend naar haar verhaal.
‘De wandelstokken van mijn vader hadden altijd een wolvenkop als handvat,’ gaat Yasmina verder. ‘Vroeger heette Hyrcanië Verkâna. Verkā betekent wolf in het Oud-Perzisch, waardoor onze streek ook wel het Land van de Wolven wordt genoemd.’
‘Een land vol slinkse wolven, een broertje met de streken van een vos…’ herhaalt Jale zachtjes. ‘Dat doet me denken aan het sprookje van de wolf en de vos. Ken je dat?’
‘Nee,’ antwoordt Yasmina. ‘Ik ben zo moe, Jale. Zo moe. Maar ik ben zo bang om te gaan slapen.’
‘Luister, meisje, ik zal je het verhaal vertellen van de wolf en de vos. Als je mij belooft daarna te gaan slapen.’
‘Dat beloof ik. Vertel me het verhaal, alsjeblieft.’
Jale zijgt neer naast Yasmina, positioneert zich in kleermakerszit, kijkt op naar het raam in het plafond, ziet een stukje van de maan en begint dan te vertellen.
★
Het was in een oeroud woud waar een vriendelijke vos zijn vossenburcht had gebouwd, een burcht zoals de vos altijd al had willen hebben. Maar zijn woonplezier bleek van korte duur, toen op een dag een wolf zijn burcht binnendrong. Niet om de vos op te eten, maar om bij de vos te komen wonen. De vos legde zich er al snel bij neer dat de wolf niet zomaar zou vertrekken en dat hij voor langere tijd opgescheept zou zijn met hem.
De vos probeerde er het beste van te maken, want hij had altijd geleerd netjes en beleefd te zijn, en hij gedroeg zich ondanks de opdringerige aard van de wolf als een echte gastheer. Zelfs wanneer de wolf de vos sloeg of schopte of hem met woorden belachelijk maakte, bleef de vos netjes en met respect reageren.
Tot hij er op een dag genoeg van had en hij de wolf aansprak op zijn gedrag.
‘Beste wolf, je gedraagt je als een heel vervelende pestkop. Niet alleen vind ik dat zeer vervelend, maar je loopt hierdoor ook de kans dat god je zal straffen. Misschien laat hij je wel doden door de mens. Want de mens is listig en sluw. Hij kan vogels uit de lucht vangen en vissen uit de zee, hij kan bergen trotseren en verzetten. Dus kijk uit, voor jezelf.’
De wolf keek de vos meesmuilend aan. ‘Wie ben jij om zo tegen mij te praten?’ En pardoes sloeg hij de vos bewusteloos.
Toen de vos bijkwam, glimlachte hij vriendelijk naar de wolf en bood hij zijn excuses aan voor zijn gedrag.
‘Spreek niet over wat je niet aangaat, want dan hoor je wat je niet aanstaat,’ zei de wolf met een zweem van dedain.
‘Zoals je wilt, wolf,’ zei de vos. ‘Ik zal je niet meer lastigvallen.’
Maar dat waren maar woorden, want de vos zon op wraak. De wolf moest gedood worden.
Lijdzaam onderging de vos de mishandelingen en de vernederingen, voor zichzelf steeds maar herhalend dat hooghartigheid en overmoed op den duur altijd leiden tot ondergang en onheil. Na hoogmoed komt de val, hield de vos zich voor.
Terwijl de tijd verstreek en de vos nog altijd angstig en onderdanig de wolf duldde in zijn vossenburcht, liep hij op een dag langs de muur van een wijngaard. Bij een groot gat in de muur bleef hij staan, verlekkerd kijkend naar de sappige druiventrossen die zo voor het grijpen leken te zijn.
Maar de vos was op zijn hoede en zei tegen zichzelf: dat gat zit er vast niet voor niets, ik denk dat het een val van de mensen is. Voorzichtigheid is de helft van slimheid en ik moet niet zo hebzuchtig zijn vanwege die druiven dat ik in een lastige val trap en sterf.
De vos liep naar het gat in de muur toe, stak zijn kop erdoor en zag achter de muur een diepe kuil, gemaakt door de wijnboer en afgedekt met een deken, om zo wilde dieren te vangen die zijn druiven kwamen stelen, zoals de vos.
Opgelucht dat hij zo slim was om eerst te kijken en dat hij zich niet had laten verleiden door de sappige druiven bedacht hij een list om de hebberige wolf naar de kuil te lokken.
Snel als de wind rende hij naar de wolf. ‘Wolf! Wolf, luister! Ik heb een opening gevonden in de muur naar de wijngaard, waar de sappigste druiven hangen. Je kan er zo bij, je hoeft alleen maar door het gat in de muur te kruipen!’
‘En de mens dan?’ vroeg de wolf achterdochtig.
‘Die is dood, ik heb het zelf gezien!’
Ingegeven door lust en hebzucht naar het sappige fruit rende de wolf naar de muur aan de rand van de wijngaard, met in zijn kielzog de vos. Hij keek door het gat in de muur, speurde de wijngaard af en zag geen gevaar, enkel de volle druiventrossen die voor het grijpen hingen. Met een loepzuivere sprong door het gat kwam hij op de deken terecht, hij zakte erdoorheen en viel met een bons op de bodem van de kuil.
Uitzinnig van vreugde danste de vos rondom de kuil. Hij zong een overwinningslied en vierde de aanstaande dood van de wolf en dat hij spoedig bevrijd zou zijn van zijn kwelgeest.
Toen hij buiten adem was, keek hij in de kuil en zag hij de wolf huilen, wat hem ook deed huilen.
‘Huil je uit medelijden met mij, vos?’ vroeg de wolf.
‘Zeker niet, wolf. Ik huil van blijdschap, om te zien dat jij hulpeloos en alleen in deze kuil zult sterven. Ik huil van spijt dat dit moment niet eerder is gekomen, nog voor je mij in mijn burcht overviel en mijn rustige leven verstoorde met je aanwezigheid.’
De wolf negeerde de woorden van de vos en zei hem naar zijn moeder te gaan. ‘Hopelijk verzint zij een manier om te ontsnappen.’
‘Nee,’ zei de vos resoluut. ‘Je zoekt het maar uit. Wie zijn billen brandt, moet op de blaren zitten. Het is je eigen schuld dat je in die diepe kuil zit. Je doet altijd lelijk tegen me en nu wil je dat ik je ga helpen? Nee dus.’
‘O, vos, het spijt me. Neem me mijn eerdere gedrag niet kwalijk. Weet je, je bent een goede ziel. Vergevingsgezindheid hoort daar ook bij. Wil je mij echt niet helpen uit deze benarde situatie te komen? Ik wil hier niet sterven…’
De wolf gooide al zijn charmes in de strijd om de vos zover te krijgen dat hij hem zou helpen uit zijn benarde situatie te komen.
‘Nu opeens kun je aardig voor me zijn,’ zei de vos schertsend. ‘Al die tijd heb je me geslagen en geschopt en vernederd. En altijd bleef ik aardig tegen je, ook al was ik altijd bang voor je. Nu ben jij bang en smeek je me direct om hulp.’
‘Maar we hebben het toch ook goed gehad samen, vos? Ik kan gewoon niet geloven dat juist jij zo harteloos bent om me hier te laten sterven. Weet je wat, haal een touw, zodat ik naar boven kan klimmen, en dan beloof ik dat ik je voortaan met respect zal behandelen. Doe het goede, vos!’
‘Zwijg, wolf! Je probeert me in te palmen met die mooipraterij van je. Die slinksheid en je kwade bedoelingen doen me denken aan het verhaal van de valk en de patrijs.’
★
Jale ziet dat Yasmina bijna in een rustige slaap dommelt. ‘Als jij het goed vindt, meisje, zal ik de rest van het verhaal na deze nacht vertellen,’ fluistert ze.
Yasmina knikt loom, schenkt Jale een handkusje en wentelt zich in haar dunne deken. Niet veel later hoort Jale haar rustige ademhalen en vlijt ook zij zich neer voor een nacht van zielenrust.
Zo bewaart Jale de rest van haar verhaal voor de volgende nacht en weet ze Yasmina te behoeden voor een angstige, onrustige nacht vol nachtmerries en wanhoop.
Uit. En stil. Wát een verhaal. Een prachtboek! ~ Simone Lier




