Ik heb het niet vaak. Of eigenlijk, ik heb het niet eerder gehad. Maar ik wilde mijn vader bellen.
Bellen.
Ik haat bellen.
En mijn vader en ik, de goede gesprekken, ze waren van zo lang geleden. Van samenzijn. Verjaardagen, feestdagen, na de voetbal, samen, zo’n avond waarop ik ‘s nachts na het stappen thuiskwam en hij nonchalant maar niet zo nonchalant zat te wachten tot ik veilig thuis was en dan de nacht nog even doornemen.
Maar nooit via de telefoon.
En nu, nu zit ik hier, ergens in een ver land, in het midden van nergens, en ik wist het niet meer. Ik weet het niet meer. Wat moet ik nou? Wat moet ik doen?
Pa.
Help me.
Ik ben volwassen, een man, ik ben mijn eigen wegen gegaan, maar ik sta op een punt waarop ik niet weet waarheen te gaan. Je bent mijn vader, mijn rots in de branding, mijn baken. Ik vraag me af of je dat wel weet, dat je mijn leidraad bent. De man die ik hoop te kunnen zijn, nog altijd.
Er wordt mij te kwistig gestrooid met het heldendom. Marathon uitgelopen? Held! Diploma gehaald? Held! Gen Z noemt iedere debiel die om voor 8 uur ‘s morgens zijn bed uitkomt een strijder. Held!
Een devaluatie van waar heldendom.
Vaderschap, goede vaders, een vader zoals jij, dat zijn helden. Onverschrokken, ik weet, wéét dat ik altijd van je op aan kan. Altijd. Elk moment, elke situatie, jij zal er zijn, ongeacht wat er gaande is.
Jij zal er staan.
O, wat ben ik zelfstandig en eigenwijs en eigengereid. Maar ik doe ook maar wat. Nog altijd ben ik gewoon dat kind, dat jongetje dat kijkt, en dat opkijkt naar zijn vader.
Pa.
Papa.
Ik zeg nooit papa.
Pa. Wat moet ik nou?
Van de favela’s in Panama tot downtown Jordanië, de straten van Hebron, de bergen in Amerika, de stranden van Australië, de binnenlanden van Mexico, van Budapest tot Ramallah, de hitte in Syrië en Irak en van mijn eigenste kankerstad Rotterdam tot dat kolere grensstadje van Rusland waar ik het beste kroeggevecht ooit had tot waar ik nu ben…
Ik struin de wereld over, begeef me op plekken waar ik niet wil zijn, maar toch ergens ook weer wel, maar wat jou en ma alleen maar kopzorgen geeft… ik wil raad, ik wil advies, ik wil gestuurd worden, maar nee, toch ook weer niet.
Zoveel mensen om me heen, zoveel reuring. Maar ik ben zo eenzaam, zo alleen.
Op zoek.
Naar wat?
Ik weet het niet.
Altijd op zoek.
Heel veel vinden. Maar nooit verzadigd zijn.
Ik zit met de handen in het haar.
Wat nu als ik je bel?
Wat als ik je bel, nu?
Met die vraag, wat ik nu moet? Wat zou je dan zeggen?
Wat moet ik nu?
“Kom naar huis, jongen.”
Maar wat is dat, naar huis komen? Een huis is geen thuis.
Thuis is waar mijn mooie rooie is, mijn muze. Maar dat is geen geografische plek.
“Zoek een vaste baan, zekerheid.”
Zekerheid? Voor wat? Pensioen? De huur?
Ik ben 45. Godverdomme, ik ben gewoon al 45.
Vijf.
En.
Veertig.
Da’s een man van middelbare leeftijd. Een midlifer. Thank godje rij ik al ruim 20 jaar motor. Deed ik al nooit aan monogamie of leeftijdsdiscriminatie, tot afschuw van ma.
O ma, mama, moedertje. Het spijt me zo. Alles. De zorgen, de onzekerheden.
“Waar ga je nu weer heen? Doe je wel voorzichtig?”
“Tuurlijk, ma.”
Tuurlijk niet.
Nooit. Ja, nee, ik doe niet voorzichtig. Ik heb het leven lief, maar ik heb last van chronische fomo, dus nee, ik doe niet voorzichtig.
Altijd hanteer ik ‘de 100-meter regel’: denk je dat je je eindpunt hebt bereikt, loop dan nog 100 meter door. Zoek je iets, vind je het niet, stop je dan, of… loop je nog 100 meter door? Het is ook een metaforische regel, stagneer je ergens, op iets, ga dan nog even door, pak die extra 100 meter, er is altijd wat extra’s te zien of te ontdekken.
Pa.
Ik wil wel bellen. Maar als ik nu bel, dan weet ik dat je schrikt. Ik huil nu. O man, alles komt eruit. Om hen die ik verloor, om hen die ik zal verliezen, om alle onzekerheden, om alles wat eng is. Er is zoveel engs, er is zoveel ellende, zoveel onzekerheid.
Ook nu weer moet ik besluiten nemen, stappen zetten, en ik wil zo graag dat een ander dat voor me doet. Jij. Als vader, wijs en vol vertrouwen, zeker.
Net als jij zal ik deze nacht uitzitten, slapeloos.
Dat weet ik, want ik ken je. Twee volwassen mannen, malend, de nacht als stille vriend. De donkerte waarin alles even stilstaat, alles ruis is en niets stoort.
Niets, ook niet de zoon die zijn vader stoort. Al zal de vader nooit zeggen dat de zoon stoort.
Laatst appte ik, dat ik niet langs kon komen, omdat ik toch weer onderweg was, volgens mij ergens in de bergen van Slovenië. Je appte terug dat het niet uitmaakte. Je schreef “Wij houden van je”.
Ma en jij.
Ik heb die app als screenshot bewaard. Het is niet iets wat wij vaak uitspreken. Het was voor mij een besef dat ik geliefd ben. Tot de hemel en de sterren en het heelal en weer terug, wat ik ook doe. Jullie houden van me. Godverdomme man.
Vier woorden.
Zo veel zeggend. Zoveel zeggend. Zo veelzeggend.
“Ik hou ook van jullie,” schreef ik terug.
Vijf woorden.
Met het besef dat, als ik sterf vóór jullie sterven, ik hoop dat jullie weten dat ik mijn leven echt vol, vól heb geleefd. En dat jullie de beste ouders zijn die een kind, zelfs op zijn 45e, zich ooit had kunnen wensen.
Later, ooit, weet ik nu al, zal ik spijt hebben dat ik niet heb gebeld, maar ja, ik haat bellen.
Misschien bel ik morgen. Met de vraag wat ik nu moet.
Voor het te laat is.
En anders bel ik overmorgen.
Of volgende week.
Maar zelfs als ik niet bel, pa, ma, jullie zijn altijd daar waar ik ga.
Vanavond wilde ik bellen, maar ik schreef dit stuk. Terwijl ik weet, pa, dat jij nog wakker bent.
Maar ik wil niet bellen en dan huilen.
Dus bel ik morgen, beloofd.
Al kan ik niet beloven dat ik niet zal huilen.





Mooi. En lief. Jullie houden van elkaar. Leest hij je substacks?
Potverdorie!