Mijn telefoon trilt. Het is zaterdagavond, 23:30 uur. Met een half oog kijk ik wie mij juist nu appt. Ik heb wel een vermoeden. Mijn vermoeden is juist en een uur later sta ik te dansen in een vage club. De wodka vloeit rijkelijk en de champagne gaat minstens zo hard.
Er komen twee meisjes op ons af en we raken heel filosofisch aan de praat.
‘Jij bent toch die schrijver?’ vraagt een van de meisjes.
Mijn ego stijgt tot disproportionele hoogtes en vol trots beaam ik dat ik die schrijver ben.
‘Cool,’ zegt het meisje.
Een kleine vijf minuten later staat ze te zoenen met een grote donkere gast.
Wanneer de lichten aanschieten, stommelen we naar buiten richting de Mac. De twee meisjes zijn daar plots weer, evenals de grote donkere gast. Ik doe een poging weer zo’n fenomenaal filosofisch gesprek te starten, maar nu met het andere meisje.
We staan minstens een half uur te vegeteren bij de Mac en terwijl de grote donkere gast teleurgesteld afdruipt omdat hem de wacht is aangezet, focus ik me zonder na te denken weer op meisje een, ondanks het reuze interessante gesprek met meisje twee.
‘Kom je mee?’ vraagt ze. ‘Drinken we nog wat bij mij thuis, is maar tien minuten lopen van hier.’
Slechte nee-zegger als ik ben, ga ik in een nanoseconde akkoord en we lopen de Meent op. Onderweg wordt meisje twee aangesproken door twee gasten die haar wel zien zitten en ze vragen waar we heen gaan.
‘Naar haar huis,’ zegt ze terwijl ze naar meisje een wijst.
‘Zullen we mee gaan?’ vragen de hitsige boys.
‘Nou, jullie kunnen wel een stukje meelopen,’ zegt meisje twee.
Gezellig.
Inmiddels staan meisje een en ik te zoenen. Ik merk dat m’n ademhaling versnelt en ik begin steeds meer zin in haar te krijgen. Ze vraagt wat we bij haar thuis eigenlijk gaan doen, naast het drinken van een drankje.
‘Stomende seks hebben,’ fluister ik haar toe.
‘Oké, cool,’ zegt ze.
We lopen verder en na ongeveer drie kwartier zijn we bij het enorme antikraakpand waar meisje een woont en waar meisje twee blijft slapen. Ik ga met meisje een naar boven terwijl meisje twee de hitsige boys aan de deur afpoeiert.
Onderwijl lopen we zoenend door naar de keuken en trekken de deur dicht. Dronken als we zijn, gaat dat niet zachtzinnig en de deur rammelt in haar sponningen waardoor de deurklink met veel kabaal uit de deur schiet.
Meisje twee klopt op de deur en vraagt of alles goed gaat. Wij roepen in koor ‘Ja!’ en hervatten onze paringsdans op de - hoe cliché - wasmachine. Met een oerdrift zet ze haar nagels in mijn heupen wanneer ik bij haar binnen dring. Met één hand hou ik haar rechterborst vast, met de andere omklem ik haar knieholte. Ze blijft me strak aankijken, terwijl ze haar nagels tot bloedens toe in mijn huid grift.
Nadat we tot grote hoogten zijn gestegen en weer enigszins zijn afgedaald, beseffen we dat we dronken en naakt op de keukenvloer liggen. Grinnikend kleden we ons aan, ik mis een sok, en romantisch als onenightstands zijn, nemen we afscheid.
‘Hé, was leuk dit, misschien tot een volgende keer.’
‘Ja, lijkt me leuk.’
Wanneer ik de keuken wil uitlopen, loop ik tegen een probleem op. De deurklink mist. We zoeken ons een ongeluk, maar kunnen de deurklink niet vinden.
‘Uhm…’ zegt meisje een. ‘We kunnen het best via het balkon door het raam van de slaapkamer klimmen. Een andere mogelijkheid is er niet.’
Meisje twee is namelijk in geen velden of wegen meer te bekennen, dus er zit niets anders op dan de tocht via het balkon te maken. Inmiddels is het een uur of 6 in de ochtend en wanneer ik van het balkon naar beneden kijk, kijk ik recht een slagerij binnen. De beelden van het uitbenen van een schaap is niet de meest fijne herinnering aan deze nacht.
Wanneer we door het raam via het balkon naar binnen geklommen zijn, lopen we gezamenlijk naar de trap waar we ter afscheid vluchtig zoenen.
‘Nummers uitwisselen?’ vraagt meisje een.
‘Prima, wat is je nummer?’ vraag ik.
Ze geeft haar nummer, ik bedank haar en zeg dat ik haar zo app zodat ze mijn nummer ook heeft.
‘Je weet mijn naam niet hè,’ zegt ze terwijl ik de deur open doe.
‘Tuurlijk wel.’
‘Echt niet,’ glimlacht ze.
‘Ik app je zo. Welterusten, juffrouw.’
Terwijl ik de hoek omloop richting huis poog ik een goede naam te verzinnen voor meisje een. Want inderdaad, ik weet haar naam niet en het kan verwarrend werken om met ‘meisje een’ of ‘meisje twee’ te werken. Na een kleine honderd meter sla ik haar nummer op inclusief naam waardoor ik nog precies weet om wie het gaat.
Deurklink.
Zo, trek in een bakkie wel na dit epistel!
Een zelfgekozen bedrag als losse donatie doen kan hier, met een directe overboeking naar NL70 BUNQ 2076 5623 89 t.n.v. Tjeerds Brainfarts onder vermelding van je mailadres of door op het BUNQ-logo te klikken. Natuurlijk krijg je bij een losse donatie ook - tijdelijk naar rato - toegang tot betaalde content.
Los doneren via PayPal of Stripe is ook mogelijk. (NB.: PayPal leidt je naar een donatiepagina op naam van mijn uitgeverij, Jalapeño Books)
Ook tof, waar je zelf nóg blijer van wordt, is door een boek van me te kopen!
Yasmina is een jonge Iraanse vrouw die gevangenzit in de beruchte Evin-gevangenis in Teheran. Haar celgenoot is Jale, een oudere vrouw die Yasmina de martelingen, de vernederingen en de bijtende onzekerheid even doet vergeten door ’s nachts de oude sprookjes uit Duizend-en-een-nacht te vertellen.
Jale is een begenadigd chroniqueur, die de sprookjes uit Perzië, Babylonië en het oude Egypte volmaakt met haar eigen ideeën en fantasieën. De fabelachtige verhalen vormen de basis van een warme vriendschap en diepe verbondenheid tussen de twee vrouwen.
Jale groeide op in het Iran van voor 1979, Yasmina werd geboren tijdens de Perzische Golfoorlog begin jaren negentig. Twee vrouwen met een verschillende geschiedenis, maar met één gewenste toekomst: een vrije.
‘Yasmina vertelt een diep ontroerend en betekenisvol verhaal. We waarderen wat je doet om dergelijke verhalen met de wereld te delen.’ ~ Narges Foundation








