De Duizend-en-eerste Dag
Een afscheid, een weerzien
‘Vanavond is het vollemaan,’ fluistert Jale. ‘De vierendertigste vollemaan sinds je hier bent, meisje.’
Yasmina pakt het stukje steen waarmee ze de dagen en de manen dat ze in de Evin-gevangenis verblijft bijhoudt door elke dag als een streepje en elke vollemaan als een imperfecte ronde in de muur te kerven.
‘Het is de duizend-en-eerste dag.’
‘Ik weet het…’
‘Jale…’
‘Ja, meisje?’
‘Vandaag is mijn verjaardag, ik ben vierendertig geworden.’
‘Och…’ verzucht Jale. Ze kijkt naar Yasmina. Ze ziet Yasmina. Ze ziet het meisje in de vrouw, maar ook de vrouw in het meisje. Niet alleen ziet ze haar schoonheid – het ragfijne gezicht met de geprononceerde jukbeenderen, de spitsige neus en de prachtige witte huid, de grote ronde ogen met een kleur bruin die net als de herfst van kleur verschiet bij elke straal maanlicht, de volle bos ravenzwarte krullen – maar ze ziet ook de hoop, de liefde en de volharding, sterker en aanweziger dan de angst.
‘Ken je het mystieke sprookje van de jonge vrouw in het cachot van Evin?’
‘Nee,’ antwoordt Yasmina. ‘Maar de nacht is nog niet gevallen, Jale.’
‘Ik weet het, meisje, maar vandaag is een bijzondere dag. Op deze duizend-en-eerste dag, waarop de vierendertigste vollemaan onze cel zal verlichten, op jouw vierendertigste geboortedag, wil ik je een sprookje vertellen waarin juist het daglicht een grote rol speelt.’
‘Ik ben zo bang, Jale. Zo bang. Voor wat deze dag zal brengen.’
‘Luister, meisje, ik zal je het verhaal vertellen van de jonge vrouw. Als je mij belooft daarna sterk te zijn.’
‘Dat beloof ik. Vertel me het verhaal, alsjeblieft.’
Jale zijgt neer naast Yasmina, positioneert zich in kleermakerszit, kijkt op naar het raam in het plafond, ziet een stukje van de helderblauwe lucht en begint dan te vertellen.
★
Er was eens, ver voorbij de zinderende rand van de bekende wereld, in een stad die geen naam meer draagt, een jonge vrouw genaamd Yasmina. Men fluisterde dat haar moeder uit sterrenstof was geweven en dat haar ogen de kleur van vergeten dromen hadden. Haar stem had iets van het ruisen van zijden sluiers in de nacht, en men zei dat de maan dichterbij kwam als zij zong.
Maar Yasmina zat gevangen.
Niet in een toren of kerker zoals in gewone verhalen, maar diep in de onderbuik van het cachot van Evin, die alleen bestond in de dromen van krankzinnigen. Haar cel was een ruimte zonder hoeken, een cirkel van obsidiaan, glad als ijs, waarin het nooit dag werd. Om haar polsen glinsterden ketenen van wit zilver, koud als het hart van een djinn.
Ze herinnerde zich vaag hoe ze daar was gekomen. Een hof vol spiegels. Een kom met granaatappelpitten. Een kus. Leegte. En toen… stemmen.
’s Nachts kwamen ze, sluipend als rook, murmelend als zand in de wind. Djinns, schaduwen met gedachten, zonder ogen, maar met tongen die als messen sneden.
‘Yasmina,’ fluisterden ze. ‘Vergeet. Vergeet hem. Geef ons je geest.’
Soms dacht ze dat ze al vergeten was wie ze was. Tot een andere stem haar bereikte. Geen gefluister ditmaal, maar een snijdend bevel dat door haar hoofd sneed als een zwaard door zijde: ‘Het gaat om je geest, meisje. Laat ze niet winnen, hoor je me? Laat ze nooit winnen.’
Ze verstijfde. Die stem kende ze. Manelin. Zijn naam doemde op als rook uit de as van een uitgebrande herinnering. Prins van de Zandvlakte, Zoon van de Zee, haar geliefde. Hij die eens haar schaduw had getekend in henna, en had gezegd: ‘Je bent de grens waar ik ophoud en de wereld begint.’
‘Blijf sterk, altijd,’ klonk het nu, verzengend. ‘Hou de schimmen uit je hoofd. Zorg dat de djinns je niet te pakken krijgen.’
‘Manelin…’ fluisterde ze, alsof ze hem terug kon roepen met haar adem.
De ketenen om haar polsen rilden. Ze drukte haar handen tegen haar borst, waar onder de huid iets begon te gloeien, iets wat lang had geslapen. Een belofte. Een eed.
Haar vingers verkrampten. De djinns krijsten. Ze voelden het: haar wil keerde terug. Ze waren gewend haar geest te bewonen als een huis zonder deuren. Maar nu sloten ramen zich. Gordijnen werden dichtgetrokken. Licht begon te lekken langs de randen.
Yasmina liet haar adem langzaam ontsnappen en sprak zacht, ritmisch, alsof ze een vergeten spreuk herhaalde: ‘Laat ze niet winnen. Nooit. Nooit.’
Een eerste keten brak. Niet met geweld, maar met betekenis. Het zilver scheurde niet; het verdampte. En met elke ademtocht loste meer op, tot haar armen vrij waren en haar huid begon te tintelen met een herinnering aan wind.
De muren ademden. De grond onder haar voeten pulseerde als vlees. Dit was geen gewone kamer, dit was een droom, door magie en waanzin geweven, en nu begon die droom af te brokkelen.
Ze begon te lopen. Vastberaden. De gangen trokken zich krom als slangen, trappen reikten omlaag in plaats van omhoog. Ze hoorde stemmen, haar naam gezongen op duizend manieren, maar ze keek niet om. Overal lagen illusies, spiegels die haar wezen verdraaiden, deuren die op haar jeugd openden, bedden vol rusteloze vergetelheid.
Maar zij kende de geur van Manelin. Amber, oud leer, en de wind van het oosten. Ze volgde dat spoor als een draad in het labyrint van nachtmerries. Tot ze de tuin bereikte.
Verborgen tussen marmeren muren en een hemel van zijde hing daar de tuin van de Vergeten Tijden. Alles groeide er, blauwe rozen, zingende palmen, bomen die fluisterden in talen die geen mond meer sprak.
En aan de rand van een fontein van vloeibaar kwik zat hij.
Manelin.
Zijn silhouet trillend als hitte boven zand, zijn ogen gesloten, alsof hij wachtte. Alsof hij haar altijd had geweten.
Yasmina hield haar adem in. Ze was bang dat als ze hem zou aanraken, hij zou oplossen tot rook. Maar hij keek op. En glimlachte.
Geen woord. Geen uitleg.
Ze knielde, raakte zijn hand aan. Warm. Echt.
Zijn stem, eindelijk hardop: ‘Ik wist dat je het kon. Jouw geest is sterker dan hun wereld.’
En toen, om hen heen, smolt het cachot van Evin. De lucht werd blauw. De sterren zongen. De djinns vluchtten terug in hun kringen van vuur, kreten als gescheurde lakens achterlatend.
Ze stonden op. En liepen samen de tuin uit.
Vrij.
★
‘Dat was een mooi sprookje. Dat herinnert me aan het verhaal van Djamiel, de verteller van het verhaal van de geliefden van de Oedzra-stam. Hoe liep het met hen af?’
‘Het lot joeg hen uiteen, maar in de aarde werden zij verenigd.’
‘Dus ze kwamen weer samen, Jale?’
‘Ja, meisje, ze kwamen weer samen.’
Dan, als uit het niets, klinkt het gerammel van sleutels en gaat de celdeur open, en stormen er twee afschuwelijke ifriets binnen die Yasmina bij de armen grijpen en mee naar buiten sleuren.
‘Het gaat om je geest, meisje. Laat ze niet winnen, hoor je me? Laat ze nooit winnen. Blijf sterk, altijd. Hou de schimmen uit je hoofd, zorg dat de djinns je niet te pakken krijgen,’ fluistert Jale in de wind.
Yasmina hoort de geluiden van de stad, ruikt de bloemen, de bomen, de frisse bries die uit het machtige Alborz-gebergte de stad verkoeling brengt.
Als ze uit de auto wordt getrokken, ziet en hoort ze de joelende mensenmassa. Sommigen met de bloeddorst in hun ogen, anderen met een verbeten, of juist verdrietige blik.
Dan ziet ze hem staan, in de menigte: Manelin.
Ze wil zijn naam roepen, uitschreeuwen, maar zijn naam blijft steken in haar keel. Ze wil zich losrukken, vrijvechten om zich in zijn armen te storten, om hem nog één keer in zijn smaragdgroene ogen te kijken, om nog één keer zijn warme lippen te proeven.
Maar ze staat er als verlamd. Wanneer ze de kap over haar hoofd krijgt en ze het schurende touw om haar nek voelt, lukt het haar met het laatste beetje levenskracht dat ze in zich heeft zijn naam te fluisteren, die wordt meegedragen door de wind. Tot de letters die zijn naam vormen als een fluistering hem bereiken en hij zijn geliefde eindelijk weer hoort, op deze verschrikkelijke plek, waar binnen enkele ogenblikken de hoop, de liefde en de volharding bruut zullen worden vermoord en er geen duizend-en-eerste nacht meer zal volgen.
‘Manelin… Manelin, mijn lief, vergeet me niet, alsjeblieft, vergeet me niet…’ verzucht Yasmina net voor het luik openklapt en ze bungelend aan het grove touw, de adem van het aardse zal loslaten en zich laten dragen door de stroom van de eeuwigheid. ‘Zeg mijn naam, blijf mijn naam herinneren… alsjeblieft… fluister mijn naam in de wind, voor altijd de jouwe, Yasmina.’
Dit is een deel van een hoofdstuk uit mijn boek Yasmina. Een sprookjesachtige, literaire roman in de verteltraditie van Duizend-en-een-nacht, waarin de verhalen die Jale vertelt een toevlucht én een vorm van verzet worden tegen de afgrijselijke werkelijkheid van de Evin-gevangenis in Teheran.
Een actueel boek, geïnspireerd op het ware verhaal van de Iraanse Narges Mohammadi, Nobelprijswinnares, mensenrechtenactiviste en een van de boegbeelden van de ‘Vrouw, Leven, Vrijheid’-beweging.
⭐⭐⭐⭐⭐ Yasmina verdient het om gelezen te worden. Tjeerd heeft een hele beeldende, haast levensechte manier van (om)schrijven waardoor je echt meegenomen wordt in het verhaal en de entourage waar de hoofdstukken zich afspelen.
Lastig vind ik het om te beseffen tot wat voor leven vrouwen in Iran veroordeeld zijn. Het totale gebrek aan vrijheid en autonomie en rechtvaardigheid. ~ Evelien
⭐⭐⭐⭐⭐ Ik was erg benieuwd naar dit nieuwe boek van Tjeerd Langstraat. Zowel de thrillers met Jan Vos in de hoofdrol, zijn roman en zijn non-fictie verhalen, het zijn stuk voor stuk meesterwerken. Zou hij dit niveau met Yasmina kunnen evenaren of misschien zelfs overtreffen? Na het lezen van Yasmina kan ik volmondig ja zeggen. Maar als je denkt dat dit een boek is zoals zijn voorgaande boeken, dan kom je bedrogen uit. Het is spannend, maar op een heel ander niveau. Het is spannend op emotioneel en psychisch vlak. Je leest steeds kort over de ontberingen van Yasmina en daarop volgt een verhaal wat Jale vertelt en je merkt dat Yasmina kracht put uit deze verhalen, maar niet alleen kracht. Ze komt ook tot rust door de verhalen, waardoor ze de ontberingen aan kan. ~ Veronique
⭐⭐⭐⭐⭐ Er zijn verhalen die je vanaf de eerste pagina pakken: dat is bij Yasmina het geval. Nog nooit heb ik zo’n bijzonder non-fictie boek met sprookjes erin verwerkt gelezen. ~ Gerrie
Yasmina vertelt een diep ontroerend en betekenisvol verhaal. We waarderen wat je doet om dergelijke verhalen met de wereld te delen. ~ Narges Foundation




